Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
4 november 2014.
Hoge Raad
De aanvrager verzocht om herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld voor twee pogingen tot doodslag en tot een gevangenisstraf van vier jaren. De aanvraag berustte op nieuwe verklaringen van meerdere betrokkenen die zouden aantonen dat een ander de feiten had gepleegd.
De Advocaat-Generaal stelde op grond van art. 468 Sv Pro nader onderzoek in, waarbij verklaringen van betrokkenen werden gehoord en een proces-verbaal werd opgemaakt. Uit dit onderzoek bleek dat de verklaringen niet onmiskenbaar een erkenning bevatten dat een ander dan de aanvrager de feiten had gepleegd.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde gegevens niet voldeden aan de vereisten van art. 457 Sv Pro omdat zij geen ernstig vermoeden wekten dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of toepassing van een minder zware straf zou hebben geleid. Daarom werd de aanvraag tot herziening afgewezen.
Het arrest werd gewezen door vice-president Van Dorst en raadsheren Balkema en Ilsink, waarbij laatstgenoemden niet konden ondertekenen. De beslissing bevestigt de strenge criteria voor herziening op grond van nieuwe feiten in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens ontbreken van een ernstig vermoeden dat het onderzoek tot vrijspraak had geleid.