ECLI:NL:HR:2014:31

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2014
Publicatiedatum
7 januari 2014
Zaaknummer
12/03897
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 83 ROArt. 435 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens misslag in proces-verbaal samenstelling hof

In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Het middel van cassatie betrof de klacht dat het arrest was gewezen door andere raadsheren dan die aanwezig waren bij de terechtzitting in hoger beroep.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting bleek een andere samenstelling van het hof dan vermeld in het arrest. De Hoge Raad heeft op grond van art. 83 RO Pro inlichtingen ingewonnen bij het hof, waarna een van de raadsheren toegaf dat het proces-verbaal een misslag bevatte door een onjuiste vermelding van de zittingscombinatie.

De Hoge Raad leest het proces-verbaal met verbetering van deze misslag, waardoor het middel feitelijk geen grondslag heeft. Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens een misslag in het proces-verbaal die met verbetering wordt gelezen.

Uitspraak

7 januari 2014
Strafkamer
nr. S 12/03897
IC/ES
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 maart 2012, nummer 23/003746-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat het bestreden arrest is gewezen door andere raadsheren dan aanwezig waren bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
2.2.1.
Het op de voet van art. 435, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2012 houdt in dat aldaar als raadsheren aanwezig waren mr. N.F. van Manen, mr. M. Gonggrijp-van Mourik en mr. H.A. Holthuis. Het bestreden arrest van 19 maart 2012 vermeldt dat het is gewezen door mr. M. Gonggrijp-van Mourik, mr. N.F. van Manen en mr. J.W.H.G. Loyson.
2.2.2.
De Hoge Raad heeft op de voet van art. 83 RO Pro inlichtingen ingewonnen bij het Hof. Naar aanleiding daarvan heeft mr. M. Gonggrijp-van Mourik bij brief van 26 november 2013 aan de Hoge Raad het volgende bericht:
"Bij het opmaken van het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep op 5 maart 2012 in de zaak [verdachte] is - vermoedelijk door een te groot gesteld vertrouwen in de kantoorautomatisering - onjuist opgenomen dat de zittingscombinatie heeft bestaan uit mrs. N.F van Manen, M. Gonggrijp-van Mourik en H.A. Holthuis, griffier W. Blaak. In het proces-verbaal hadden vermeld moeten zijn de onder het arrest van 19 maart 2013 genoemde namen, te weten mrs. M. Gonggrijp-van Mourik, N.F. van Manen en J.W.H.G. Loyson, griffier W. Blaak. Bij deze brief is een verbeterd exemplaar van het proces-verbaal gevoegd."
2.2.3.
De raadsman heeft op deze brief gereageerd.
2.3.
Op grond van de inhoud van voormelde brief moet het ervoor worden gehouden dat het onder 2.2.1 genoemde proces-verbaal ten aanzien van de samenstelling van het Hof een misslag bevat. De Hoge Raad leest het proces-verbaal met verbetering van die misslag. Daardoor mist het middel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 januari 2014.