Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede namens de verdachte voorgestelde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
4 november 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Zowel de verdachte als de Advocaat-Generaal bij het Hof hadden middelen van cassatie voorgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van de Advocaat-Generaal en het eerste middel van de verdachte niet tot cassatie konden leiden.
Het tweede middel van de verdachte klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, vanwege het te laat inzenden van stukken door het Hof. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, mede doordat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Als gevolg hiervan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van acht jaar naar zeven jaar en zes maanden. De rest van het beroep werd verworpen en de Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafduur.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van acht jaar naar zeven jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.