Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 16 mei 2013, nr. 11/00679, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2006 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2013, waarin een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2006 was bevestigd.
De Hoge Raad heeft het middel van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 14 februari 2014 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan cassatiegronden.