Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 november 2014.
Hoge Raad
De verdachte was niet verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep omdat hij in zijn geboorteland verbleef voor een operatie en nabehandeling. Zijn raadsman verzocht namens hem om aanhouding van de behandeling van de zaak, stellende dat de medische ingrepen noodzakelijk en niet uitstelbaar waren.
Het hof wees dit verzoek af, onder meer vanwege het ontbreken van bewijs dat de behandeling klinisch was of dat de verdachte niet kon reizen. Ook speelde mee dat de verdachte zonder overleg naar het buitenland was vertrokken en dat de duur van de behandeling onzeker was. Daarnaast werden de belangen van het slachtoffer en de nabestaanden meegewogen.
De Hoge Raad stelt dat bij een verzoek tot aanhouding een belangenafweging moet plaatsvinden tussen het recht van de verdachte op aanwezigheid, het belang van een spoedige berechting en de organisatie van de rechtspleging. Gelet op de omstandigheden en de motieven van het hof is de afwijzing van het verzoek gerechtvaardigd.
Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. Het arrest bevestigt dat medische omstandigheden niet zonder meer leiden tot aanhouding als de behandeling ambulant is en de verdachte kan reizen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot aanhouding van de behandeling wordt afgewezen.