In deze zaak betrof het een geschil over een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 1996 opgelegd aan belanghebbende, bestaande uit fiscale eenheid [X3] B.V. en Beheermaatschappij [X4] B.V. De zaak werd behandeld door de Rechtbank Breda en het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarbij het hof uitspraak deed op 7 november 2012.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie behandeld en geconcludeerd dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven vanwege een schending van het beginsel van rechterlijke onpartijdigheid en onvolledige processtukkenoverlegging door de inspecteur. De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor een volledig nieuw onderzoek en beslissing.
De Hoge Raad benadrukt dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb verplicht is alle relevante stukken aan partijen en de rechter te overleggen, en dat de rechter onder omstandigheden kan besluiten het verzuim van de inspecteur te negeren. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep en bepaalt een vergoeding voor het betaalde griffierecht.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Hoge Raad, waarbij de vice-president Overgaauw als voorzitter fungeerde. Het arrest is uitgesproken op 14 november 2014.