De erfgenamen van [X] stelden cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de kwalificatie van een Bed and Breakfast (B&B) als onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001 voor de jaren 2004 en 2005.
De Hoge Raad overwoog dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de B&B wordt gevormd door het geheel van activa en passiva waarmee deze wordt geëxploiteerd, waaronder ook de lening die is aangegaan voor de verbouwing en exploitatie. De rente op deze lening moet daarom worden meegenomen bij de beoordeling of uit de onderneming objectief voordeel kan worden verwacht.
De Hoge Raad verwierp de middelen van belanghebbenden die stelden dat de rente niet betrokken mocht worden, en bevestigde dat vreemd vermogen onderdeel uitmaakt van de onderneming. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
De uitspraak benadrukt het belang van een integrale benadering van activa en passiva bij de ondernemingskwalificatie in de inkomstenbelasting, waarbij financieringskosten niet buiten beschouwing mogen blijven.
Er werden geen proceskosten aan belanghebbenden opgelegd.