ECLI:NL:HR:2014:3211

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2014
Publicatiedatum
13 november 2014
Zaaknummer
12/05820
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • R.J. Koopman
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:31 AwbArt. 20a lid 3 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak hof en verwijst zaak vennootschapsbelasting terug voor nieuw onderzoek

Belanghebbende, een vennootschap, was in geschil met de Inspecteur over een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2001, inclusief boetebeschikking en heffingsrente, alsmede een beschikking over het jaar 2000. Na behandeling door de rechtbank en het gerechtshof werd het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende behandeld.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, waarbij meerdere middelen werden aangevoerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het arrest in stand liet, mede omdat niet alle relevante stukken waren overgelegd door de Inspecteur, terwijl artikel 8:42 Awb Pro dit voorschrijft. Tevens is het aan de bestuursrechter om bij het niet overleggen van stukken de nodige gevolgtrekkingen te maken op grond van artikel 8:31 Awb Pro.

De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe, volledige behandeling en beslissing. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten ten behoeve van belanghebbende.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor nieuw onderzoek.

Uitspraak

14 november 2014
Nr. 12/05820
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's‑Hertogenboschvan 7 november 2012, nr. 08/00222, op het hoger beroep van de Inspecteur alsmede het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/584) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en beschikking inzake heffingsrente, alsmede de voor het jaar 2000 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20a, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst voor het jaar 2000).

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. R.W.J. Kerckhoffs, mr. A.M.E. Nuyens en mr. A.J.C. Perdaems, advocaten te Breda.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
Middel 1 faalt voor zover het betrekking heeft op mr. G.J. van Muijen en slaagt voor zover het betrekking heeft op mr. drs. T.A. Gladpootjes, een en ander op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 12/05832 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2.
Gelet op het hiervoor in 2.1 overwogene kan ‘s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek in volle omvang.
Opmerking verdient nog dat ingevolge artikel 8:42, lid 1, Awb de inspecteur alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter dient over te leggen. Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 Awb Pro aan de bestuursrechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 466, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1948 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2014.