ECLI:NL:HR:2014:3223

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2014
Publicatiedatum
13 november 2014
Zaaknummer
12/05831
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • R.J. Koopman
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:31 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof en verwijst belastingzaak voor nieuw onderzoek

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch over navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen betreffende de jaren 2000 en 2001. De Hoge Raad oordeelde dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven vanwege gebreken in de beoordeling, mede gerelateerd aan de niet-naleving van de verplichting tot het overleggen van alle relevante stukken door de inspecteur.

De Hoge Raad benadrukte dat op grond van artikel 8:42 lid 1 Awb Pro de inspecteur verplicht is alle stukken die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming aan belanghebbende en de rechter te overleggen. Indien deze verplichting niet wordt nagekomen, mag de bestuursrechter op grond van artikel 8:31 Awb Pro de gevolgtrekkingen maken die hij passend acht, inclusief het negeren van het verzuim.

Gelet op deze overwegingen vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor een volledig nieuw onderzoek en beslissing. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep en werd belanghebbende het betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: Het cassatieberoep is gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor nieuw onderzoek.

Uitspraak

14 november 2014
Nr. 12/05831
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 7 november 2012, nrs. 08/00228 en 08/00266, op het hoger beroep van de Inspecteur alsmede het (incidentele) hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/605) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2000 en 2001 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de premie ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de premie ingevolge de Ziekenfondswet, alsmede de daarbij gegeven boetebeschikkingen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. R.W.J. Kerckhoffs, mr. A.M.E. Nuyens en mr. A.J.C. Perdaems, advocaten te Breda.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
Middel 1 faalt voor zover het betrekking heeft op mr. G.J. van Muijen en slaagt voor zover het betrekking heeft op mr. drs. T.A. Gladpootjes, een en ander op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 12/05832 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2.
Gelet op het hiervoor in 2.1 overwogene kan ‘s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek in volle omvang.
Opmerking verdient nog dat ingevolge artikel 8:42, lid 1, Awb de inspecteur alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter dient over te leggen. Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 Awb Pro aan de bestuursrechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 12/05832 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 3287,25, derhalve (afgerond) € 1643,63, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2014.