ECLI:NL:HR:2014:3231

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2014
Publicatiedatum
13 november 2014
Zaaknummer
12/05863
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • R.J. Koopman
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:31 AwbArt. 8:42 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak hof en verwijst bestuursrechtelijke vennootschapsbelastingzaak voor nieuw onderzoek

Belanghebbende, een vennootschap, was in geschil met de Inspecteur over de aanslag vennootschapsbelasting en de daarbij behorende boetebeschikking en heffingsrente voor het jaar 1999. Na eerdere uitspraken van de rechtbank en het hof werd door belanghebbende cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak van het hof vernietigd. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor een volledige herbehandeling en beslissing, waarbij het arrest van de Hoge Raad in acht moet worden genomen.

In de motivering benadrukt de Hoge Raad het belang van het naleven van de verplichtingen uit de Algemene wet bestuursrecht, met name de verplichting van de inspecteur om alle relevante stukken te overleggen aan belanghebbende en de rechter. Bij het niet naleven hiervan mag de rechter passende gevolgtrekkingen maken.

De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep en bepaalt dat de Staat het betaalde griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de raadsheren en de waarnemend griffier op 14 november 2014.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor nieuw onderzoek.

Uitspraak

14 november 2014
Nr. 12/05863
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 7 november 2012, nr. 08/00239, op het hoger beroep van de Inspecteur alsmede het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/1804) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1999 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking en beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. R.W.J. Kerckhoffs, mr. A.M.E. Nuyens en mr. A.J.C. Perdaems, advocaten te Breda.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
Middel 1 faalt voor zover het betrekking heeft op mr. G.J. van Muijen en slaagt voor zover het betrekking heeft op mr. drs. T.A. Gladpootjes, een en ander op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 12/05832 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2.
Gelet op het hiervoor in 2.1 overwogene kan ‘s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek in volle omvang.
Opmerking verdient nog dat ingevolge artikel 8:42, lid 1, Awb de inspecteur alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter dient over te leggen. Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 Awb Pro aan de bestuursrechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 12/05857, 12/05860, 12/05862 en 12/05864, met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 466, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een vijfde van € 5478,75, derhalve € 1095,75, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2014.