Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
18 november 2014.
Hoge Raad
De aanvraagster verzocht de Hoge Raad om herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2011, waarin zij was veroordeeld voor oplichting, bedreiging en belaging. Het hof had haar veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
De aanvraag tot herziening baseerde zich op vermeende tegenstrijdigheden omtrent de bevoegdheid van de aangever en het mogelijke meineed van een getuige, met name verschillen in geboortedatum en -plaats tussen aangifte en getuigenverklaring. Tevens werd gewezen op e-mailcorrespondentie die een andere relatie tussen aangever en aanvraagster zou suggereren dan in de getuigenverklaring was vermeld.
De Hoge Raad oordeelde dat deze gegevens niet als nieuw en onbekend aan de rechter konden worden beschouwd, zoals vereist volgens art. 457 Sv Pro. De verschillen in geboortedatum en -plaats waren de rechter bekend en de e-mails werden niet als zodanig kwalificeerbaar. Daarom was er geen grond voor herziening en werd de aanvraag afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens het ontbreken van een nieuw ernstig vermoeden.