De zaak betreft de vraag welk bedrag de maatstaf van heffing vormt voor omzetbelasting bij telecommunicatiediensten die via een prepaid systeem worden geleverd. Belanghebbende verstrekt SIM-kaarten en beltegoed aan gebruikers, waarbij het beltegoed via opwaardeerkaarten bij winkeliers wordt gekocht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de maatstaf van heffing het bedrag is dat de gebruiker betaalt aan de winkelier of het bedrag dat belanghebbende van de winkelier ontvangt.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de maatstaf van heffing het bedrag is dat belanghebbende van de winkelier ontvangt, omdat dit het werkelijk ontvangen bedrag is en de contractuele verhoudingen tussen belanghebbende, winkelier en gebruiker niet relevant zouden zijn. De Staatssecretaris stelde dat de maatstaf van heffing de prijs is die de gebruiker betaalt aan de winkelier.
De Hoge Raad stelt dat het Hof ten onrechte de contractuele verhoudingen buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens de Hoge Raad is het van belang de rechtsverhoudingen tussen belanghebbende, winkeliers en gebruikers te onderzoeken om vast te stellen of er een rechtstreeks verband bestaat tussen het bedrag dat de gebruiker betaalt en de door belanghebbende geleverde diensten. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor een volledige herbeoordeling.
De Hoge Raad wijst verder proceskostenveroordeling af en benadrukt dat de maatstaf van heffing moet worden vastgesteld in overeenstemming met het Europese recht, waarbij de werkelijk ontvangen tegenprestatie bepalend is, maar dat de juridische kwalificatie van de betrokken verhoudingen cruciaal is.