Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag betreffende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Rotterdam. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam diende een verweerschrift in en stelde tevens incidenteel beroep in cassatie in. Belanghebbende bracht schriftelijk zijn zienswijze op het incidentele beroep naar voren.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten in zowel het principale als het incidentele cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Uiteindelijk verklaarde de Hoge Raad beide beroepen in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit in het openbaar op 21 november 2014.