Belanghebbende verkreeg in maart 2004 een recht van erfpacht op een perceel grond met een kantoorpand in aanbouw, waarvoor een jaarlijkse canon van €330.000 gold. Over de gekapitaliseerde waarde van deze canon werd omzetbelasting betaald en afgetrokken. Na oplevering verhuurde belanghebbende het pand deels met btw-heffing en deels vrijgesteld.
De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat hij de maatstaf van heffing stelde op de kosten van afbouw vermeerderd met de gekapitaliseerde waarde van de canon, terwijl belanghebbende alleen de kosten plus de reeds vervallen canon als maatstaf aanhield. Het Hof vernietigde de naheffingsaanslag en oordeelde dat alleen de daadwerkelijk vervallen canon tot de maatstaf behoort.
De Hoge Raad onderzoekt in cassatie of deze uitleg verenigbaar is met de Zesde richtlijn en de nationale wetgeving. Daarbij bespreekt hij onder meer het arrest Gemeente Vlaardingen van het HvJ-EU en de Nederlandse regeling voor de waardering van de canon bij erfpacht. De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJ-EU over de uitleg van de maatstaf van heffing bij leveringen in de zin van artikel 5, lid 7, van de Zesde richtlijn, met name over de vraag of de gekapitaliseerde waarde van de canon of alleen de reeds vervallen canon in de maatstaf moet worden betrokken.
De verdere behandeling van de zaak wordt aangehouden totdat het HvJ-EU uitspraak heeft gedaan. Het arrest is gewezen door de vice-president Overgaauw en raadsheren van Vliet, Lourens, Punt en van Kalmthout.