Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
25 november 2014.
Hoge Raad
Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter zijn namens betrokkene geen middelen van cassatie tijdig ingediend door een raadsman bij de Hoge Raad.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene. De Hoge Raad beoordeelt dat het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn in strijd is met art. 437 lid 2 in Pro verbinding met art. 511h Sv, waardoor betrokkene niet ontvankelijk kan worden verklaard in het beroep.
De Hoge Raad verklaart daarom betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep en wijst het beroep af. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 25 november 2014.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen.