Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het derde namens de verdachte voorgestelde middel
4.Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
2 december 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin de redelijke termijn in hoger beroep werd beoordeeld en de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding en kosten rechtsbijstand werd behandeld.
Het hof oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden omdat het onderzoek ter terechtzitting binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep was aangevangen. De Hoge Raad stelde dit oordeel onjuist vast en oordeelde dat de redelijke termijn wel was overschreden, wat een strafvermindering tot gevolg had. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van kosten rechtsbijstand in het strafproces afgewezen omdat de civiele rechter reeds over de schadevergoeding had beslist en de kosten niet waren toegewezen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor wat betreft de straf en verminderde de gevangenisstraf van 24 maanden (waarvan 6 voorwaardelijk) tot 22 maanden (waarvan 6 voorwaardelijk). De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van kosten rechtsbijstand werd afgewezen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 22 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk, en de vordering tot vergoeding van kosten rechtsbijstand wordt afgewezen.