ECLI:NL:HR:2014:3522

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2014
Publicatiedatum
4 december 2014
Zaaknummer
13/05530
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 226 RvArt. 251 RvArt. 2.21 Landelijk procesreglement gerechtshovenArt. 134 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in geschil over procesvertegenwoordiging en schorsing procedure

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser verworpen. Het geschil betrof onder meer de vraag of sprake was van een schorsing van de procedure wegens het verlies van de hoedanigheid van advocaat en de gevolgen daarvan voor het recht op pleidooi. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen van de rechtbank ’s-Gravenhage en het arrest van het gerechtshof Den Haag, welke aan het arrest zijn gehecht.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie.

De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro en andere relevante procesrechtelijke bepalingen, waarbij het belang van correcte procesvertegenwoordiging en de gevolgen van het verlies van de hoedanigheid van advocaat centraal stonden. De zaak benadrukt het belang van zorgvuldige naleving van procesregels in civiele procedures.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding.

Uitspraak

5 december 2014
Eerste Kamer
13/05530
LH/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden,
t e g e n
De STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. K. Teuben.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 378286 / HA ZA 10-3731 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 januari 2011 en 27 juli 2011;
b. het arrest in de zaak 200.098.260/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 juli 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 24 oktober 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
5 december 2014.