Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 december 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat voorziet in voorlopige voorzieningen in de dagvaardingsprocedure, ook overeenkomstig toegepast kan worden in verzoekschriftprocedures. Het geschil betrof een kinderalimentatiezaak waarbij de man een voorlopige voorziening wilde treffen tegen een beschikking tot betaling van levensonderhoud.
Het gerechtshof Leeuwarden had dit verzoek afgewezen met het argument dat artikel 223 Rv Pro niet van toepassing is in verzoekschriftprocedures. De Procureur-Generaal stelde cassatie in het belang der wet in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelde dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet verzetten tegen een overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv Pro.
De Hoge Raad benadrukte dat ook in verzoekschriftprocedures incidentele verzoeken om voorlopige voorzieningen kunnen worden gedaan, hetzij bij verzoek- of verweerschrift, hetzij via een afzonderlijk verzoekschrift. De rechter heeft de vrijheid om te bepalen of en wanneer zo'n verzoek wordt behandeld, met inachtneming van de belangen van partijen en de procesvoering. Tevens is tussentijds hoger beroep of cassatie mogelijk tegen beslissingen over voorlopige voorzieningen.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden beschikking van het hof en stelde vast dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor de rechten van partijen. Hiermee is de weg geopend voor het treffen van voorlopige voorzieningen in verzoekschriftprocedures, ook buiten de specifieke wettelijke regelingen voor echtscheidingen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat artikel 223 Rv overeenkomstig van toepassing is op verzoekschriftprocedures, waardoor voorlopige voorzieningen ook daarin kunnen worden gevraagd.