ECLI:NL:HR:2014:3551

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2014
Publicatiedatum
9 december 2014
Zaaknummer
13/04548
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 5 OpiumwetArt. 2 onder A OpiumwetArt. 2 onder C OpiumwetArt. 3a lid 5 OpiumwetArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken belang bij vernietiging in drugszaak

Verdachte werd door het Hof Den Haag veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het opzettelijk buiten Nederland brengen en aanwezig hebben van grote hoeveelheden heroïne en cocaïne. Het hof kwalificeerde de feiten afzonderlijk en baseerde de straf mede op art. 57 Sr Pro.

Verdachte stelde in cassatie dat sprake was van eendaadse samenloop in plaats van meerdaadse samenloop, en dat art. 55 Sr Pro toegepast had moeten worden. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van de kwalificatie en verbetering van het arrest, maar verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat ook bij toepassing van art. 55 Sr Pro afzonderlijke kwalificatie mogelijk is en dat het belang van verdachte bij cassatie niet evident is gezien het strafmaximum en de opgelegde straf. Omdat de cassatieschriftuur niet voldeed aan de vereiste motivering over het belang bij cassatie, verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.

Het hof had bij strafoplegging rekening gehouden met de maatschappelijke impact van harddrugs, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad bevestigde hiermee het belang van zorgvuldige motivering bij cassatieberoepen en de toepassing van wettelijke strafbepalingen in meervoudige strafzaken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang bij vernietiging.

Uitspraak

9 december 2014
Strafkamer
nr. 13/04548
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 juli 2013, nummer 22/001469-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, maar uitsluitend wat betreft de kwalificatie en de aanhaling van art. 57 Sr Pro als toepasselijk wettelijk voorschrift, dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak in zoverre zal verbeteren, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte meerdaadse samenloop heeft aangenomen in plaats van eendaadse samenloop.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"1. hij op 11 september 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet,
- ongeveer 3500 gram van een materiaal bevattende heroïne, en
- ongeveer 100 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. hij op 11 september 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 3500 gram van een materiaal bevattende heroïne, en
- ongeveer 100 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."
2.2.2.
Het Hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod" en het onder 2 bewezenverklaarde als "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B [de Hoge Raad leest: C] van de Opiumwet gegeven verbod". Het heeft art. 57 Sr Pro vermeld als wettelijk voorschrift waarop de straf mede is gegrond.
2.2.3.
Het Hof heeft de verdachte ter zake hiervan veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
"De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan uitvoer van een grote hoeveelheid verdovende middelen. Hij heeft telefonisch contact onderhouden met één van de koeriers en geholpen deze verdovende middelen in de auto van die koeriers te verstoppen voor vervoer naar Frankrijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, terwijl het gebruik en de financiering van dat gebruik alsmede de handel in harddrugs tot ernstige overlast, zware of aanhoudende criminaliteit en ontwrichting van delen van de samenleving kunnen leiden, waarbij vooral kwetsbare burgers de dupe blijken te worden. De verdachte heeft zich kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin zonder oog te hebben voor deze vergaande maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Het hof rekent hem dit zwaar aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 juni 2013, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf de geldende LOVS richtlijnen en beslissingen in soortgelijke zaken, alsmede het aspect van speciale en algemene preventie mede in acht genomen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd met betrekking tot de gezondheid van de verdachte en zijn zakelijke belangen acht het hof onvoldoende zwaarwegend om een andere straf op te leggen. Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Het hof constateert echter dat de behandeling in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. (...) Het hof zal de overschrijding van de bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat."
2.3.
Ook indien toepassing dient te worden gegeven aan art. 55, eerste lid, Sr kunnen de strafbare feiten afzonderlijk worden gekwalificeerd. Het opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2, onder A, Opiumwet gegeven verbod - van de door het Hof toegepaste strafbepalingen de bepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld - is bedreigd met onder meer een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar. Gelet op dit wettelijk strafmaximum en in aanmerking genomen de door het Hof opgelegde gevangenisstraf van 28 maanden en 's Hofs motivering van die straf, is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL: HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.6.2 bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. De enkele stelling dat toepassing van art. 55 Sr Pro "tot een ander strafmaximum zou hebben geleid" is daartoe ongenoegzaam. De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 december 2014.