Belanghebbende produceerde en verkocht in 2006 growkits met paddenstoelenbroed (mycelium van psilocybe paddenstoelen), die onder het verlaagde omzetbelastingtarief werden belast. De Inspecteur stelde echter dat het algemene tarief van toepassing was. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat het broed als pootgoed voor groente te kwalificeren is en dat de levering van de growkits als één prestatie met het broed als hoofdprestatie het verlaagde tarief rechtvaardigt.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het hof post a.3 van tabel I van de Wet OB onjuist had uitgelegd. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat de wetgever onder pootgoed ook paddenstoelenbroed begreep, mede gelet op de memorie van toelichting. Het feit dat paddo's als genotmiddel worden gebruikt doet niet af aan het verlaagde tarief.
Het tweede middel van de Staatssecretaris, gericht tegen de waardering van het hof dat de levering van de growkits één prestatie vormt, faalde eveneens. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel geen onjuiste rechtsopvatting bevat en niet in cassatie kan worden getoetst.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee is het verlaagde tarief voor de levering van growkits met paddenstoelenbroed bevestigd.