Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
16 december 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 20 december 2013 in een strafzaak. De raadsman van de verdachte heeft namens hem middelen van cassatie voorgesteld, welke aan het arrest zijn gehecht.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman schriftelijk heeft gereageerd. De Hoge Raad heeft de middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Dit oordeel is genomen op grond van artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarbij geen nadere motivering nodig is omdat de middelen geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarop heeft de Hoge Raad het beroep verworpen. Het arrest is gewezen door de raadsheren J. de Hullu als voorzitter, H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 16 december 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.