Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
16 december 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van een verdachte die werd veroordeeld wegens het niet opvolgen van een bevel van een politieambtenaar om zijn weg te vervolgen bij een gebeurtenis die dreigde te ontaarden in wanordelijkheden op het Tournooiveld te 's-Gravenhage.
De tenlastelegging was gebaseerd op artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Den Haag, dat voorschrijft dat personen op de weg bij wanordelijkheden verplicht zijn een bevel van een politieambtenaar op te volgen. De overtreding van dit artikel is strafbaar gesteld in artikel 6:1, eerste lid, APV Den Haag, en de gemeenteraad heeft op grond van artikel 154 van Pro de Gemeentewet de bevoegdheid om straf te stellen op overtredingen van de APV.
De verdediging voerde aan dat de politieambtenaar niet uitdrukkelijk bevoegd was om het bevel te geven, zodat het bevel niet op een wettelijk voorschrift kon worden gegrond. De Hoge Raad verwierp dit verweer en oordeelde dat de bevelsbevoegdheid van de politieambtenaar in artikel 2:1, tweede lid, APV Den Haag niet afzonderlijk of uitdrukkelijk hoeft te zijn verleend. Dit verschilt van het misdrijf van artikel 184 Sr Pro, waarvoor een expliciete wettelijke bevoegdheid vereist is.
De Hoge Raad wees erop dat indien het niet opvolgen van een APV-gegrond bevel zonder uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid het misdrijf van artikel 184 Sr Pro zou opleveren, dit in strijd zou zijn met de Gemeentewet, die de strafbevoegdheid van de gemeenteraad beperkt tot overtredingen. Het beroep werd verworpen en het arrest werd gewezen op 16 december 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafbaarheid van het niet opvolgen van het politiebevel op grond van de APV Den Haag.