ECLI:NL:HR:2014:3795

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2014
Publicatiedatum
8 januari 2015
Zaaknummer
12/05339
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn zonder gevolgen voor straf

De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad beoordeelde meerdere middelen en verwierp deze zonder nadere motivering omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het vijfde middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en erkende de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.

Desondanks werd, gelet op de relatief lichte straf (twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd, taakstraf van zestig uur en subsidiair dertig dagen hechtenis) en de mate van overschrijding, geen rechtsgevolg verbonden aan deze overschrijding. Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep ondanks erkende overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

14 oktober 2014
Strafkamer
nr. S 12/05339
SB/RP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 oktober 2012, nummer 23/003790-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het vijfde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 oktober 2014.