Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Haarlem had behandeld. De zaak betrof navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2005 en 2006, alsmede de daarbij opgelegde boetebeschikkingen.
De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.
Daarmee verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt het arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Overgaauw en raadsheren Koopman en van Kalmthout op 28 februari 2014.