Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
14 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was. Ambtshalve stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren verminderd tot twee jaren en tien maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen en de rest van het arrest bleef in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaren en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.