Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
11 maart 2014.
Hoge Raad
De aanvrager werd veroordeeld voor het verblijven in Nederland terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Hij vroeg herziening van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2009, stellende dat een beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 november 2012 tot opheffing van de ongewenstverklaring niet bekend was bij het hof en tot een andere uitkomst zou hebben geleid.
De Hoge Raad overwoog dat de beschikking van 22 november 2012 de ongewenstverklaring niet met terugwerkende kracht intrekt, maar pas vanaf die datum opheft. Omdat de bestreden uitspraak dateert van vóór deze datum, kon de beschikking niet worden gezien als een nieuw gegeven dat tot herziening kon leiden.
De Hoge Raad concludeerde dat de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond was en wees deze af. De strafrechtelijke veroordeling bleef daarmee in stand, aangezien de opheffing van de ongewenstverklaring geen terugwerkende kracht heeft en geen invloed kan hebben op het eerdere vonnis.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af omdat de opheffing van de ongewenstverklaring pas na het vonnis plaatsvond.