Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
14 januari 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens betrokkene werd een middel van cassatie voorgesteld, waarop de Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van de uitspraak, maar uitsluitend met betrekking tot de hoogte van de betalingsverplichting.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot vernietiging kon leiden, omdat het geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaren waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Dit leidde tot ambtshalve vermindering van de betalingsverplichting van €16.979,14 naar €16.130,-. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd op 14 januari 2014 gewezen door de raadsheren Groos, Buruma en Van den Brink.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €16.130,- wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.