Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Leeuwardenvan 27 september 2011, nr. 10/00049, betreffende een aan
Stichting [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een toegelaten woningbouwinstelling, sloot met drie hogescholen een samenwerkingsovereenkomst voor het bouwen en verhuren van wooneenheden aan buitenlandse studenten. De hogescholen betaalden bijdragen voor exploitatietekorten en leegstand, die belanghebbende niet met omzetbelasting belastte. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op omdat hij deze bedragen als belastbare prestaties aan de hogescholen zag.
De rechtbank wees het beroep af, maar het hof verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat de bijdragen van de hogescholen subsidies waren die direct verband hielden met de verhuur aan studenten, waardoor het verlaagde tarief van toepassing was. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatie in.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuiste rechtsopvattingen had over de aard van de bijdragen, met name dat de vergoedingen voor leegstand niet direct verband hielden met de verhuurprestaties en dat het verband tussen de exploitatievergoeding en de huurprijs onvoldoende was gemotiveerd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak voor hernieuwde behandeling naar het hof van ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor hernieuwde behandeling naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.