Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 januari 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 juni 2012. De advocaat van de verdachte heeft middelen van cassatie voorgesteld, welke zijn beoordeeld door de Hoge Raad.
De Advocaat-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd omdat de aangevoerde klachten onvoldoende belang toekennen aan het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het arrest uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van 14 januari 2014. Dit arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en niet-ontvankelijkheid van de klachten.