Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De aanvrager werd door de kantonrechter veroordeeld wegens het niet voldoen aan de verzekeringsplicht voor een motorrijtuig op 14 september 2005. Hij verzocht om herziening op grond van een brief van de Dienst Wegverkeer waarin stond dat hij vanaf 4 november 2003 niet meer aansprakelijk was voor de verzekeringsplicht, gebaseerd op een diefstalmelding.
De Hoge Raad oordeelde dat voor het verval van de verzekeringsplicht niet de datum van diefstal of verduistering bepalend is, maar de datum van aangifte daarvan. Omdat de aanvrager pas op 22 december 2011 aangifte deed, terwijl hem het niet-verzekeren in 2005 werd verweten, kon de onjuiste mededeling van de Dienst Wegverkeer hem geen rechtens te honoreren vertrouwen geven.
Daarmee ontbrak het ernstige vermoeden dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of minder zware straf had geleid. De Hoge Raad wees daarom het verzoek tot herziening af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af omdat de aanvrager niet tijdig zijn verzekeringsplicht had vervuld en de onjuiste mededeling van de Dienst Wegverkeer hem geen rechtens te honoreren vertrouwen kon geven.