Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De aanvrager werd door de kantonrechter veroordeeld wegens het niet voldoen aan de wettelijke verzekeringsplicht voor een motorrijtuig op 13 maart 2007. Hij verzocht om herziening van dit vonnis op grond van nieuwe gegevens die aantonen dat hij sinds 4 november 2003 niet meer aansprakelijk zou zijn geweest wegens diefstal van het voertuig.
Ter onderbouwing voegde hij een brief van de Dienst Wegverkeer toe waarin werd gesteld dat de diefstal op 4 november 2003 had plaatsgevonden en dat hij vanaf die datum niet meer aansprakelijk was. Tevens overhandigde hij een proces-verbaal van aangifte van verduistering van voertuigen op 22 december 2011.
De Hoge Raad oordeelde dat volgens de destijds geldende regelgeving het verval van de verzekeringsplicht pas ingaat vanaf de datum van aangifte van diefstal of verduistering, niet vanaf de datum van het feit zelf. Omdat de aanvrager pas in 2011 aangifte deed, terwijl hem het niet voldoen aan de verzekeringsplicht in 2007 werd verweten, kon het nieuwe gegeven geen ernstig vermoeden wekken dat het oorspronkelijke vonnis onjuist was.
Ook de onjuiste mededeling van de Dienst Wegverkeer aan de aanvrager, die pas na de bewezenverklaarde periode werd gedaan, kon geen rechtens te honoreren vertrouwen scheppen. Daarom werd de herzieningsaanvraag afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens het ontbreken van een tijdig gedaan aangifte diefstal voor het verval van de verzekeringsplicht.