Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De aanvrager verzocht om herziening van een verstekvonnis van de Kantonrechter Amsterdam waarin hij werd veroordeeld wegens het niet voldoen aan de verzekeringsplicht voor een motorrijtuig. De aanvrager stelde dat hij vanaf 4 november 2003 niet meer aansprakelijk was voor de verzekeringsplicht omdat het voertuig was verduisterd en hij hierover later een brief van de Dienst Wegverkeer ontving.
Bij de beoordeling stelde de Hoge Raad dat volgens de destijds geldende regelgeving de verzekeringsplicht pas vervalt op het moment dat de eigenaar of houder aangifte doet van het onvrijwillig verlies van het voertuig. De aanvrager had pas op 22 december 2011 aangifte gedaan, terwijl hem werd verweten op 3 januari 2007 niet verzekerd te zijn geweest.
De onjuiste mededeling van de Dienst Wegverkeer, die pas na de verzuimde verzekeringsplicht werd gedaan, kon de aanvrager geen rechtens te honoreren vertrouwen geven dat hij ten tijde van het bewezenverklaarde niet verzekeringsplichtig was. Daarom wekte het aangevoerde geen ernstig vermoeden dat het oorspronkelijke vonnis onjuist was.
De Hoge Raad concludeerde dat de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond was en wees deze af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af omdat de verzekeringsplicht op het moment van het bewezenverklaarde feit nog bestond.