Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De aanvrager werd door de kantonrechter veroordeeld wegens het niet voldoen aan de verzekeringsplicht voor een motorrijtuig op 4 januari 2006. Hij verzocht om herziening van dit vonnis op grond van een brief van de Dienst Wegverkeer waarin stond dat hij vanaf 4 november 2003 niet meer aansprakelijk was voor de verplichtingen van het voertuig vanwege diefstal.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de destijds geldende regelgeving de verzekeringsplicht pas vervalt op het moment dat de eigenaar of houder aangifte doet van het onvrijwillig verlies van het voertuig. De aanvrager had pas op 22 december 2011 aangifte gedaan, terwijl hem het niet voldoen aan de verzekeringsplicht werd verweten op 4 januari 2006.
De mededeling van de Dienst Wegverkeer was strijdig met de wettelijke regeling en werd pas gedaan nadat de verzekeringsplicht was verzaakt. Daarom kon de aanvrager geen rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen aan die mededeling. De Hoge Raad concludeerde dat het verzoek tot herziening kennelijk ongegrond was en wees het af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de veroordeling wegens het niet voldoen aan de verzekeringsplicht.