Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De kern van het geschil betreft de geldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.
Het hof had geoordeeld dat de dagvaarding correct was betekend aan een huisgenoot op het adres waar de verdachte stond ingeschreven. Dit adres bleek echter een onderdeel van de Penitentiaire Inrichting Amsterdam te zijn, waar de verdachte kennelijk verbleef. Volgens art. 588, eerste lid sub a Sv moet de dagvaarding aan een gedetineerde persoonlijk worden uitgereikt.
De Hoge Raad stelt vast dat de dagvaarding niet persoonlijk aan de verdachte is uitgereikt, maar aan een ander die zich op het detentieadres bevond en de brief in ontvangst nam. Dit is strijdig met het wettelijke voorschrift en leidt tot nietigheid van de dagvaarding. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verklaart de dagvaarding nietig.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig wegens onjuiste betekening.