Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
5.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam in een woninginbraakzaak. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte samen met anderen op 29 september 2010 wederrechtelijk was binnengedrongen in een woning die in gebruik was bij de eigenaar, ondanks diens verblijf in het buitenland.
De verdediging had een voorwaardelijk verzoek ingediend om de eigenaar van de woning als getuige te horen, indien de verklaring van de gemachtigde aangever als bewijsmiddel zou worden gebruikt. Het hof gebruikte deze verklaring echter wel voor bewijs, maar besloot niet uitdrukkelijk op het getuigenverzoek, wat volgens de Hoge Raad een verzuim is dat nietigheid tot gevolg heeft.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling en beslissing, waarbij het hof uitdrukkelijk op het getuigenverzoek moet beslissen. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens nietigheid door verzuim beslissing op getuigenverzoek en de zaak wordt terugverwezen.