Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
25 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld wegens het opzettelijk niet doen van meldingen aan het UWV/GAK over het arbeidsverleden van werknemers in de periode 2002-2003.
Het hof had de gedragingen bewezen verklaard en veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf. De verdediging voerde aan dat het sanctieregime was gewijzigd door latere wetswijzigingen, waardoor het hof het mildere regime uit de Wet op de loonbelasting 1964 had moeten toepassen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof inderdaad het mildere sanctieregime uit art. 28c Wet op de loonbelasting 1964 had moeten toepassen, zoals ook bevestigd in eerdere jurisprudentie (HR 2011). Omdat het hof dit niet heeft gedaan en dit niet uit het arrest blijkt, vernietigt de Hoge Raad de strafoplegging en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
Voor het overige worden de middelen verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit niet is aangetast door latere wetswijzigingen en dat het hof terecht het verweer van de verdediging heeft verworpen.
De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 25 maart 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.