Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
gevestigd te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
28 maart 2014.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiseres cassatie tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 augustus 2013, waarin een geschil over de beëindiging van een langdurige handelsrelatie met woningstichting De Voorzorg centraal stond.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Maastricht en arresten van het hof en beoordeelt vervolgens de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Hoge Raad volgt dit standpunt en oordeelt dat de klachten van eiseres geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat zij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang bij cassatie.