Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 20 september 2013, nr. 13/01850.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend van een eerder arrest van 20 september 2013. De griffier heeft belanghebbende per aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Deze brief werd echter wegens onbestelbaarheid retour gezonden, waarna het stuk alsnog per gewone brief naar het adres van belanghebbende is verzonden. Het griffierecht werd niet voldaan.
Vervolgens werd belanghebbende opnieuw per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was betaald. Ook deze brief werd wegens onbestelbaarheid retour gezonden en opnieuw per gewone brief verzonden. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verklaart de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk. De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest is op 28 maart 2014 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht en het niet reageren op aanmaningen.