Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
28 maart 2014.
Hoge Raad
Partijen zijn in 1989 gehuwd en hebben drie kinderen. Na echtscheiding is door de rechtbank kinderalimentatie vastgesteld. De man stelde hoger beroep in tegen de vaststelling van de kinderalimentatie voor de jongste dochter en zoon, verzocht deze op nihil te stellen en voerde aan dat sprake was van een relevante wijziging van omstandigheden.
Het hof wees het verzoek af omdat de man volgens het hof niet had aangetoond dat er een wijziging van omstandigheden was in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro. De man stelde cassatie in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte artikel 1:401 lid 1 BW Pro heeft toegepast op het hoger beroep tegen de eerste definitieve vaststelling van de kinderalimentatie. Dit artikel is niet van toepassing bij hoger beroep tegen een eerste vaststelling, maar slechts bij verzoeken tot wijziging. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het betrekking heeft op de kinderalimentatie en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
De Hoge Raad verwerpt het beroep tegen het andere deel van het arrest en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest over de kinderalimentatie wegens onjuiste toepassing van art. 1:401 lid 1 BW en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.