Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
1 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte werd vrijgesproken van moord en gekwalificeerde doodslag, maar veroordeeld voor doodslag gepleegd in Suriname in 1993.
De verdediging voerde aan dat Nederland niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvervolging volgens Surinaams recht en dat Nederland slechts afgeleide rechtsmacht had. Het hof oordeelde echter dat Nederland op grond van artikel 5 lid 1 onder Pro 2 van het Wetboek van Strafrecht originaire rechtsmacht heeft, omdat verdachte Nederlander is en het feit in het buitenland een strafbaar feit is volgens de Nederlandse wet.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat verjaring in Surinaams recht en de eerdere intentie tot overname van strafvervolging geen beletsel vormen voor de Nederlandse originaire rechtsmacht. Ook is geen sprake van schending van beginselen van behoorlijke strafrechtspleging. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de originaire rechtsmacht van Nederland en verwerpt het cassatieberoep tegen de veroordeling voor doodslag.