Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 22 december 2011, nrs. 09/00404 tot en met 09/00425, betreffende uitnodigingen tot betaling van douanerechten.
Hoge Raad
Belanghebbende werd uitgenodigd tot betaling van douanerechten wegens onjuiste aangiften die leidden tot een te lage douanewaarde. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank en het hof werd de aanslag gehandhaafd. Het hof oordeelde dat de inspecteur terecht belanghebbende als schuldenaar had aangemerkt op grond van artikel 54 van Pro het Douanebesluit en artikel 201 van Pro het Communautair douanewetboek.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de aanwijzing van de douaneschuldenaar niet rechtsgeldig was omdat deze niet was gebaseerd op een formele wet, maar op een algemene maatregel van bestuur. De Hoge Raad overwoog dat artikel 3 van Pro de Douanewet, in samenhang met andere bepalingen, voldoende grondslag biedt voor de delegatie aan het bestuur.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat artikel 104 van Pro de Grondwet, dat vereist dat belastingen worden geheven krachtens een wet, niet in de weg staat aan deze delegatie. De rechter kan niet toetsen of de delegatie overeenkomt met de bedoeling van de grondwetgever. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanwijzing van de douaneschuldenaar bij algemene maatregel van bestuur bevestigd.