Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2014:781

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2014
Publicatiedatum
2 april 2014
Zaaknummer
13/02935
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:77 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken motivering afwijzing verzoek aanhouding in belastingzaak

Belanghebbende was geconfronteerd met een naheffingsaanslag en boetebeschikking in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank en het Hof Amsterdam werd de naheffingsaanslag gehandhaafd. Tijdens de zitting bij het Hof verzocht de gemachtigde van belanghebbende om aanhouding van de procedure wegens recente kennisname van de zaak en onbekendheid met de stukken. Dit verzoek werd door het Hof afgewezen zonder motivering.

In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof ten onrechte geen motivering had gegeven voor de afwijzing van het verzoek om aanhouding. De Hoge Raad oordeelde dat een rechter die een gemotiveerd verzoek tot aanhouding afwijst, dit besluit moet motiveren. Het ontbreken van die motivering leidt tot vernietiging van het arrest van het Hof.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof Amsterdam en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest. Tevens werd bepaald dat de Staatssecretaris van Financiën het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd wegens het ontbreken van motivering bij de afwijzing van het verzoek om aanhouding en de zaak wordt verwezen naar het Hof Den Haag.

Uitspraak

4 april 2014
nr. 13/02935
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 25 april 2013, nr. 12/00473, betreffende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking, zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/6121) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

3.1.
Blijkens het van de zitting van het Hof opgemaakte proces-verbaal heeft de gemachtigde verklaard dat hij pas sinds kort op de hoogte was van deze zaak en de stukken niet kende. Hij heeft het Hof op die grond om aanhouding verzocht. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen.
3.2.
Middel I betoogt dat het Hof de beslissing om het verzoek om aanhouding af te wijzen ten onrechte niet heeft gemotiveerd.
3.3.
De eisen van een goede rechtspleging brengen mee dat de rechter die een gemotiveerd verzoek als hiervoor in 3.1 bedoeld, afwijst, die beslissing in zijn uitspraak met redenen omkleedt. Aangezien die redengeving ontbreekt, slaagt middel I. ‘s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De overige middelen behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 239.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2014.