ECLI:NL:HR:2014:792

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2014
Publicatiedatum
3 april 2014
Zaaknummer
13/01798
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing fiscale eenheid omzetbelasting

Belanghebbenden verzochten de Inspecteur om als één ondernemer te worden aangemerkt voor de omzetbelasting op grond van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968. De Inspecteur wees dit verzoek af in beschikkingen van 21 april 2010, welke na bezwaar werden gehandhaafd. De Rechtbank Haarlem verklaarde het beroep tegen deze uitspraken ongegrond, en het Gerechtshof Amsterdam bevestigde dit in hoger beroep.

Belanghebbenden stelden vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, met twee middelen. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering vereist is, omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 4 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om fiscale eenheid blijft in stand.

Uitspraak

4 april 2014
Nr. 13/01798
Arrest
gewezen op de beroepen in cassatie van
Fiscale Eenheid [X1] B.V. e.a.te
[Z]en
[X2] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 21 februari 2013, nr. 12/00271, betreffende na te melden beschikkingen inzake de omzetbelasting.

1.Het geding in feitelijke instanties

Bij in één geschrift vervatte, voor bezwaar vatbare beschikkingen van 21 april 2010 heeft de Inspecteur de verzoeken van belanghebbenden afgewezen om als één ondernemer in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 te worden aangemerkt. De beschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/4032) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

2.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld, en daarbij twee middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2014.