Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 26 september 2013, nr. SGR 13/2237, betreffende twee aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake twee naheffingsaanslagen omzetbelasting. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Ondanks ontvangst van deze brief heeft belanghebbende het griffierecht niet voldaan.
Vervolgens is belanghebbende opnieuw in de gelegenheid gesteld om een verklaring te geven voor het niet tijdig voldoen van het griffierecht, maar hier is geen gebruik van gemaakt. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor veroordeling in proceskosten en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2014.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.