Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 31 mei 2012, nr. 11/00820, betreffende een verzoek van
[X] N.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro.
Hoge Raad
In deze zaak vorderde belanghebbende schadevergoeding wegens kosten van rechtsbijstand gemaakt tijdens de bezwaarfase tegen kapitaalsbelasting. Het Gerechtshof Amsterdam had aan belanghebbende teruggaven verleend en vervolgens de schadevergoeding vastgesteld, inclusief wettelijke rente vanaf de datum waarop de kosten waren gemaakt.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen de nadere uitspraak van het hof, stellende dat de wettelijke rente pas verschuldigd zou zijn vanaf het moment dat het verzoek tot vergoeding werd gedaan. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep ongegrond te verklaren.
De Hoge Raad oordeelde dat het recht op schadevergoeding voortvloeit uit de onrechtmatige daad en dat de veroordeling door de bestuursrechter slechts declaratoir is. De wettelijke rente is derhalve verschuldigd vanaf het moment van het maken van de kosten, niet pas vanaf het verzoek. De Hoge Raad bevestigde hiermee de eerdere uitspraak van het hof en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de wettelijke rente over de kosten van rechtsbijstand is verschuldigd vanaf het moment van kostenmaking.