Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
8 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafzaak tegen verdachte die op 14 oktober 2011 te Utrecht een persoon mishandelde door hem aan de haren te trekken en met de vuist op het hoofd te slaan. Het hof had het beroep op noodweer door verdachte verworpen, waarbij het hof uitging van de eerdere verklaring van verdachte en de verklaring van de aangever.
De verdediging stelde dat verdachte handelde uit noodweer, omdat hij door de aangever werd geduwd en aan zijn T-shirt omlaag getrokken, waarna verdachte zich verdedigde. Diverse getuigenverklaringen ondersteunden het verhaal van verdachte dat sprake was van een noodweersituatie. Het hof verwierp dit verweer echter vanwege een verschil tussen de verklaring van verdachte bij de politie en zijn latere verklaring, en achtte het niet aannemelijk dat sprake was van noodweer.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof niet duidelijk heeft gemotiveerd of het de feitelijke toedracht van de verdediging niet aannemelijk acht, dan wel dat deze toedracht geen beroep op noodweer rechtvaardigt. Bovendien is de verwerping van het noodweerverweer niet zonder meer verenigbaar met de voor het bewijs gebruikte verklaring van verdachte. Hierdoor is het verweer ontoereikend gemotiveerd verworpen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de verwerping van het noodweerverweer.