ECLI:NL:HR:2014:885

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2014
Publicatiedatum
10 april 2014
Zaaknummer
13/04189
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 52a Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake informatiebeschikking belastingjaren 2006-2010

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2013, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Breda werd behandeld. De zaak betrof een informatiebeschikking opgelegd op grond van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor de jaren 2006 tot en met 2010.

Na het verstrijken van de termijn voor motivering diende belanghebbende nog een geschrift in, maar de Hoge Raad sloeg dit stuk geen acht toe. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Overgaauw als voorzitter, samen met raadsheren van Vliet en Punt, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Cichowski, op 11 april 2014.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de informatiebeschikking blijft in stand.

Uitspraak

11 april 2014
Nr. 13/04189
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 23 juli 2013, nr. 12/00714, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 12/1407) betreffende een op de voet van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan belanghebbende opgelegde informatiebeschikking voor de jaren 2006 tot en met 2010.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
Na het verstrijken van de voor de motivering van het beroep in cassatie gestelde termijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dit stuk slaat de Hoge Raad geen acht.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2014.