De Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL) huurde sinds 2002 militaire vliegvelden, waaronder Valkenburg, voor zweefvliegsport. Na beëindiging militair gebruik in 2007 wilde de Staat het terrein ontwikkelen en zegde de huurovereenkomst op met ontruiming per 1 juli 2012. KNVvL verzocht om verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230a BW, dat ontruimingsbescherming biedt bij gebouwde onroerende zaken.
De kantonrechter en het hof wezen dit verzoek af, met de motivering dat de landingsbaan geen gebouwde onroerende zaak is. Het hof baseerde zich op de wetsgeschiedenis en het onderscheid tussen 'gebouwd' en 'aangelegd', waarbij een landingsbaan als aangelegd wordt gezien en niet onder de definitie van een gebouw valt. KNVvL stelde dat de landingsbaan zwaar is geconstrueerd en gebruikt voor vliegtuigen, maar het hof vond dit onvoldoende om het als gebouwde onroerende zaak te kwalificeren.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. Zij verduidelijkte dat een gebouw een bouwwerk is met een overdekte, omsloten ruimte, en dat een enkele verharding of bewerking van de grond in de regel niet voldoet. Het hof had geen miskenning van maatstaven getoond en had voldoende gemotiveerd geoordeeld dat de landingsbaan niet als gebouwde onroerende zaak kwalificeert. Het beroep van KNVvL werd verworpen, en zij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.