Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
15 april 2014.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Echter zijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijk gestelde termijn ingediend, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep. De Hoge Raad volgt dit advies en stelt vast dat het ontbreken van de schriftuur houdende middelen betekent dat het beroep niet ontvankelijk kan worden verklaard.
Daarom verklaart de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep en wijst het beroep af zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie.