Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
5.Slotsom
6.Beslissing
15 april 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het opzettelijk vervoeren van hennepstekken in vereniging met anderen. Het hof gebruikte onder meer een proces-verbaal van identiteit en stemherkenning als bewijs, ondanks dat verdachte niet ondubbelzinnig was gewezen op zijn recht op advocaat voorafgaand aan verhoren, wat een vormverzuim opleverde volgens artikel 359a Sv.
De verdediging voerde aan dat dit vormverzuim ook uitsluiting van het proces-verbaal van stemherkenning tot gevolg moest hebben. Het hof verwierp dit omdat de stemherkenning niet gebaseerd was op de inhoud van verdachte's verklaringen, maar op de waarneming van zijn stem tijdens de verhoren, die niet als bewijs van de inhoud van die verklaringen geldt.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwierp het verweer tot bewijsuitsluiting van het proces-verbaal van stemherkenning. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uur naar 228 uur, met een evenredige vermindering van de vervangende hechtenis.
Het beroep werd voor het overige verworpen en de rest van het arrest van het hof bleef in stand. De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 15 april 2014.
Uitkomst: De taakstraf is verminderd naar 228 uren en de vervangende hechtenis naar 114 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn; het bewijs van stemherkenning blijft toegelaten.